Over kinderen, hun psychische problemen, hun ouders en hun behandelaars.

Jeugd-ggz in de jaren 80

Ik sta er nauwelijks nog bij stil. Soms dacht ik eraan toen de gemeente verantwoordelijk werd voor jeugdzorg, inclusief de jeugd-ggz. Daar ben ik fel op tegen, en ik heb dan ook de petitie ondertekend. Ik ben in de jaren ‘80 op mijn zeventiende in een jeugdkliniek terechtgekomen omdat ik nogal agressief was en voortdurend wegliep. Ik wilde het ook zelf, thuis hield ik het niet uit. Ik moest óf weg, óf mezelf uit de weg ruimen.

Vanaf dat ik klein was pestten mijn broertjes en zusjes mij verschrikkelijk, maar alleen als mijn ouders het niet zagen. Ik trapte en schopte terug. Ik werd woedend als men mij uren per dag met woorden en rijmpjes sarde. Als mijn ouders erbij waren gebeurde dat heel subtiel, een klein uitermate irritant tikje tijdens mijn scheenbeen of een opmerking die refereerde aan pestrijmpjes. Ik ontstak dan in woede, waarop ik per dag meerdere keren flinke straf kreeg. Hooguit twee uur kon ik me een beetje gedragen, en dan had ik (ook naar mijn eigen overtuiging) alweer straf nodig. In de buurt hoorde ik er niet bij, de anderen in het gezin wel. Dat gebeurde ook op school. Mijn ouders zochten hulp bij het MOB en deden daarmee wat ze konden.

Zachtaardige moeder

Mijn moeder heeft in de buitenwereld een zachtaardige uitstraling, terwijl ze tegen mij vrij stevig kon optreden. Zij was met haar zogenaamde meegaandheid volgens de hulpverlening oorzaak van mijn gedrag. Ze moest van de hulpverleners (MOB) veel harder tegen me optreden en deed dat ook. Ze leerde bepaald niet dat er iets achter mijn gedrag kon steken. Trouwens, je moest zelf je problemen met broers en zussen oplossen, je moest met mensen leren omgaan. Als iemand echter problemen had met mij, grepen mijn ouders hard in, want ik was immers degene die van alles veroorzaakte. En passant had ik ook fobieën ontwikkeld. Die moesten genegeerd worden, want angst was een negatieve vorm van aandacht vragen.

Geforceerd contact

Ook op de middelbare school pestten andere kinderen mij, en bij het MOB kreeg ik te horen dat ik weerbaarder moest zijn. Hoe, zei men er niet bij. Als ik maar gemotiveerd was kon ik voor mezelf opkomen. Ik forceerde mezelf enorm. Ik gaf gekunstelde reacties op gepest en probeerde geforceerd contact te leggen. Contactleggen was me nooit goed gelukt, omdat ik me nergens op mijn gemak voelde. Ik was immers dat vervelende zusje van de familie. Het pesten liep volledig uit de hand, maar dat lag allemaal aan mij. Men vond destijds een assertiviteitscursus dé oplossing. Vandaag de dag plukken we daar nog de vruchten van: je moet volgens sommige mensen weerbaar zijn, anders liggen je problemen aan jezelf. Er is een enorm taboe op kwetsbaarheid, dat in mijn ogen oorzaak is van de agressie en polarisatie in de samenleving. De hulpverlening en jeugd-ggz hebben intussen totaal andere inzichten dan in ‘mijn tijd’, dat is me duidelijk. Ik heb ooit een congres bezocht en gezien hoe het er tegenwoordig aan toe gaat. Heel wat beter.

Uren in het openbaar vervoer

Op school zat ik als verstijfd en zei ik niets meer, laat staan dat ik iets leerde. Ik ging er op een gegeven moment niet meer naartoe. Ik had een abonnement op het openbaar vervoer en bracht soms uren in rijdende bussen en trams door. Als een chauffeur het doorhad en een praatje wilde aanknopen schaamde ik me kapot en maakte me uit de voeten. Tot ik thuis wegliep, en ook weer uit het opvanghuis wegging. Laat in de avond stond ik bij een hulpverlener op de stoep. Godzijdank deed ze open, ik vertrouwde niemand meer. Zij vroeg me of ik me wilde laten opnemen.

‘Strijd niet, anders ga je de vernietiging in’

De hulpverleners in de instelling negeerden demonstratief mijn losse opmerkingen over beroerd eenzame feesten waar ik er niet bij hoorde, en over andere narigheid. Ik leerde in die instelling ook dat ik niet boos moest zijn. Ik had een boze, rebelse houding en tijdens een soort van hypnotiserende sessie vertelde een therapeut dat ik helemaal de vernietiging in zou gaan als ik zo opstandig zou blijven. Ik gaf daar braaf gehoor aan, ik wilde niet nogmaals ‘slecht’ zijn en de oorzaak van alle problemen thuis, zoals ik mijn hele leven al was. Bij groepsgenoten thuis gebeurden veel ergere dingen dan bij ons. Ernstig misbruik en zware, levensbedreigende mishandeling waren schering en inslag. Daar zat ik dan, terwijl ik me afvroeg wat ik er deed met zulke goede ouders. Ok, mijn vader had een depressie, maar hij had van zijn hulpverleners geleerd mij daar niet mee te storen. Bovendien gaf hij me vanaf mijn veertiende ontzettend veel aandacht, zoals de deskundigen hem hadden aanbevolen. Die aandacht mis ik nog steeds, jaren na zijn overlijden. Mijn kwetsbare vader heeft blijkbaar een overvloed aan warmte gehad.

Ik had geleerd om niet boos te worden

Tijdens een nazorgtraject vond deze therapeute me te slachtofferig en miste ze de vastberadenheid uit de tijd dat ik net opgenomen was. Weer voelde ik me tekortschieten. Dat pesten op mijn stageadres lag dus aan mij. Ik liet me wegpesten en moest weerbaarder zijn. Dus probeerde ik dat, waarop men op mijn stageadres zei dat niemand mij in een rechtszaak zou verdedigen als ik een fout maak. Ik vond het met alle feedback ten slotte beter om met mijn opleiding te stoppen. Achteraf denk ik: ik had tijdens opname geleerd niet boos te worden en gehoorzaamde daar gewoon aan.

Deskundigen wisten niet waar mijn agressie vandaan kwam

Mijn vader heeft zich toen hij nog leefde geëxcuseerd voor fouten, net als mijn moeder. Achteraf denk ik: het lag niet aan hen, ze kregen niet het juiste advies. Mijn moeder had zeker wel het juiste moedergevoel, maar de hulpverlening hielp haar niet om haar eigen gevoel serieus te nemen. Ze maakten haar onzeker en dat is de oorzaak van het hele probleem geweest. Kinderen die pestten neem ik achteraf niets kwalijk, volwassenen zijn eindverantwoordelijk. Laatst had ik het er nog eens met mijn moeder over en is me veel duidelijk geworden. Ik dacht altijd dat hulpverleners wisten dat ik overal gepest werd, maar geen volwassene begreep ook maar waar mijn vreselijke ‘agressie’ vandaan kwam. Ik kwam zelf niet op het idee om het met de hulpverlening te bespreken, ik was er al te veel van overtuigd dat ik zelf slecht was en alle straf en pesterij verdiende.

Soms voel ik me diep van binnen nog ‘slecht’

Het gaat overigens nu goed met mij, ik leid een normaal leven, alleen werk ik enigszins onder mijn niveau omdat ik mijn studie niet afgemaakt heb (ik mag niet klagen, onder jongeren is dat schering en inslag door de enorme werkloosheid). Ook denk ik bij onrust snel dat ik de schuldige ben en heel diep verborgen, vanbinnen voel ik me soms of ik heel slecht ben. Terwijl mensen me tegenwoordig mogen, omdat ik allerlei methoden van conflictbeheersing toepas, authentiek ben en geduld heb. Waarschijnlijk dankzij alle aandacht van mijn vader heb ik een goede man gevonden, met wie ik een stabiele relatie heb. Een psycholoog heb ik niet meer nodig, omdat ik in mijn omgeving steun vind.

Had ik een onbekende variant van KOPP-problematiek?

Tot slot: je leest tegenwoordig meer dan genoeg over KOPP-problematiek, maar ik lees weinig over hoe je je voelt als je vader zeer depressief is en je denkt dat je het erger maakt, omdat je rebels in plaats van overaangepast reageert.

Ik hoop dat de jeugd-ggz vandaag, in deze moeilijke omstandigheden, in de gelegenheid blijft om zorgvuldig te werken en de oorzaak van ‘lastig gedrag’ kan zoeken. Het is me duidelijk dat hulpverleners tegenwoordig anders te werk gaan dan in ‘mijn tijd’. Bezuinigen op jeugd-ggz vind ik verwerpelijk: wie zich niet prettig voelt op het werk kan kinderen niet goed opvangen en behandelen.

Monique (50) (pseudoniem)

Reageren