Over kinderen, hun psychische problemen, hun ouders en hun behandelaars.

Behandeling beëindigen: ja of nee?

Het is soms lastig om te weten wanneer hulpverlening moet stoppen. Heb ik genoeg geleerd? Zijn er voldoende handvatten gegeven? Is alles eruit gehaald? Zijn de doelen behaald? Er komen een hoop vragen bij kijken. Soms zijn er echter verschillende meningen. Hoe ga je er mee om als een hulpverlener denkt dat een cliënt nog niet uitbehandeld is? Of omgekeerd: de cliënt wil nog behandeling, maar de hulpverlener ziet er geen heil meer in? In de eerste situatie kan er sprake zijn van een soort hulpverleningssyndroom, in het tweede geval misschien van afhankelijkheid. Het is moeilijk om hier uitsluitsel over te krijgen, maar in dit stuk belicht ik de meerdere scenario’s die mogelijk zijn en hoe je als hulpverlener en cliënt met deze complexe situaties kunt omgaan.

Client ziet geen reden voor vervolgbehandeling, de hulpverlener wel

behandeling beëindigenGebrek aan motivatie: misschien is de cliënt al jaren in behandeling en is hij of zij ‘behandelingsmoe’. Het is intensief om aan jezelf te werken en soms kan de motivatie daarvoor ook wegzakken. Dat is zeker te begrijpen, het is menselijk. De vraag is natuurlijk of je er aan toe moet geven of juist moet verdergaan. De vraag ‘Wat levert het meeste op?’ is hierbij een belangrijke. Het zoeken naar manieren om motivatie wel weer te vinden kan helpen, bijvoorbeeld door te bedenken wat zou helpen in de behandeling? Zijn er aanpassingen mogelijk waardoor de cliënt nieuwe motivatie kan vinden? Het is in ieder geval belangrijk om het motivatiegebrek te bespreken en samen oplossingen te bedenken.

Gebrekkige therapeutische relatie: zoals Freud al stelde, de relatie tussen een hulpverlener en diens cliënt is een heel belangrijk element om tot een succesvolle behandeling te komen. Als er geen sprake is van een klik, kan een behandeling stagneren. Daarom is het erg belangrijk om te investeren in deze relatie. Als cliënt is het daarbij even belangrijk om jezelf uit te spreken. Voel je je niet fijn bij een hulpverlener? Zeg het! Maak het bespreekbaar en kijk of het nodig is om over te stappen naar iemand anders. Dit zou geen reden mogen zijn om behandeling in het algemeen te stoppen.

Behandeling sluit niet aan bij hulpvraag of wensen: hier ligt vooral een oproep aan de hulpverlener. Zorg dat wat je doet, aansluit bij de wensen van de cliënt. Weet wat diens hulpvraag is! Controleer regelmatig of jullie nog de juiste weg aan het bewandelen zijn en stem dit ook af met de cliënt. En durf hierbij om feedback te vragen. Door je enigszins kwetsbaar en open op te stellen, laat je je menselijkheid zien en zal de cliënt zich mogelijk ook sneller openstellen. Dit versterkt weer de therapeutische relatie en kan tot meer succes leiden.

Er is sprake van (enig) zelfinzicht: het kan voorkomen dat een cliënt niet voldoende zicht heeft op zijn eigen beperkingen of problemen. Dit is een lastige kwestie. Aan de ene kant kan je als hulpverlener proberen meer zelfinzicht aan te leren, maar dit is niet altijd haalbaar. Een manier om het te proberen is om het netwerk in te schakelen. Zijn er mensen in de omgeving die de cliënt kennen en feedback op de huidige situatie kunnen geven? Het is vooral belangrijk om geen dicterende houding aan te nemen, maar cliënt zelf te laten ontdekken. Zie hiervoor ook mijn eerdere blog over acceptatie.

Minimale klachten: het kan zijn dat een cliënt vanwege de behandeling of door veranderde omstandigheden minder tot geen klachten meer ervaart. Dit lijkt een logische reden om het behandeltraject stop te zetten. Wanneer het goed gaat, wil je dit gevoel versterken bij de cliënt. Dit heet positieve bekrachtiging. Belangrijk hierbij is wel dat het soms lastig kan zijn om op de goede momenten te anticiperen op problemen. Wanneer een hulpverlener inschat dat er in de (nabije) toekomst stressverhogende situaties aankomen, kan het wenselijk zijn om de behandeling te vervolgen. Dit ter preventie van terugval. Een compromis zou kunnen zijn om de behandeling wat laagfrequenter in te zetten.

“Hulpverleningssyndroom”: het is ook belangrijk om stil te staan bij de vraag waarom de hulpverlener het traject wel wil vervolgen. Wil de hulpverlener misschien geen afstand doen? Er kan een situatie ontstaan waarin de hulpverlener heel hard aan het werk is en het als het ware nog niet wil ‘opgeven’. Mogelijk heeft de hulpverlener onrealistische doelen gesteld en heeft deze niet door dat ze niet haalbaar zijn. Vaak ontstaat in deze situatie een scheve machtsverhouding waarin de hulpverlener directief en sturend te werk gaat en de cliënt steeds meer uit diens zicht verdwijnt. Het is belangrijk om dit te signaleren en een stap terug te doen en weer te luisteren naar de cliënt. Een behandeling is een samenwerking, niet de strijd van één persoon.

De hulpverlener ziet geen reden voor vervolgbehandeling, de cliënt wil wel verder gaan

Hulpverleningsafhankelijkheid”: de cliënt heeft het gevoel dat behandeling noodzakelijk is, omdat hij of zij het alleen niet zou redden. De cliënt vertrouwt dan eigenlijk nog niet voldoende op eigen krachten en er is een soort afhankelijkheid ontstaan. Stel je voor: iedere dag maak je iemand wakker omdat hij of zij moeite heeft met opstaan en het zetten van een wekker. Maar betekent dat eigenlijk dat na een bepaalde tijd de cliënt dit echt nodig heeft? Of houd je hiermee een cliënt ook gebonden aan de hulpverlening? Het is daarom altijd belangrijk bewust te zijn van het hulpverleningsproces waarin je zit en hoe zich dit ontwikkelt in plaats van stagneert. Positief bekrachtigen is hierbij een belangrijk middel. Werk richting zelfstandigheid, laat de cliënt ervaren dat hij of zij zelfstandig genoeg is om de problemen op zijn pad aan te kunnen. Gooi niet iemand in het diepe, maar bouw af door het doen van ‘experimenten’ en creëer een vangnet.

“Hulpverlenersmoeheid”: misschien heeft de hulpverlener het idee dat hij of zij alles heeft gedaan wat hij of zij in zijn mars heeft en ziet geen mogelijkheden meer. Dit betekent natuurlijk niet per definitie dat een cliënt uitbehandeld is, mogelijk heeft de betreffende hulpverlener niet het juiste specialisme en bijbehorende technieken en is er zelf een plafond bereikt. Het kan soms goed zijn om in een traject een nieuwe weg in te slaan, bijvoorbeeld met een nieuwe behandelaar. Dit om zo een nieuwe visie te krijgen op hoe het proces gaat en ook nieuwe energie te krijgen.

Wat te doen?

Hierboven staan al een aantal tips en adviezen beschreven. Het meest belangrijke als hulpverlener is dat je je altijd blijft afvragen wat het belang is van de persoon tegen over je. Waar is die bij gebaat? Dat is namelijk een van de hoofdredenen van het werk dat we doen. Om te zorgen dat een behandeling soepel verloopt, moet een cliënt ruimte hebben om mee te denken over de behandeling. Hierbij ook een oproep aan cliënten: zeg wat je vindt of wilt! Veel mensen denken dat hulpverleners de gedachten van degenen tegenover hen kunnen lezen. Helaas, we zijn geen wonderdoktoren en kunnen dat dus ook niet altijd. Het is een samenwerking waarin beide partijen input moeten leveren. Het kan daarbij vaak ook behulpzaam zijn om het netwerk in te schakelen. Door meerdere visies te krijgen, kun je als hulpverlener met een breder perspectief werken en lukt het ook vaker om de behandeling te vertalen naar gedrag in het dagelijks leven. Tot slot: blijf communiceren en samenwerken met elkaar! Dus niet alleen maar praten…

* In dit stuk heb ik de cliënt, hulpverlener en behandeling als algemeen begrip genomen. Daarom zullen sommige adviezen mogelijk niet toepasbaar zijn in specifieke individuele situaties.

Audrey Totté About Audrey Totté

orthopedagoog met ambitie | reisfanaat | sporten | autismedeskundige | houdt van uitdagingen | psychodiagnosticus | levensgenieter | brede interesse voor zorggerelateerde zaken

Reageren