Over kinderen, hun psychische problemen, hun ouders en hun behandelaars.

Evidence-based practice: gewoon doen wat werkt!

Ik ben een fervent pleitbezorger van de evidence-based practice in de jeugd-ggz en in de brede jeugdhulp. Regelmatig constateer ik dat mensen het beeld hebben dat evidence-based zou inhouden dat je alleen werkt op basis van wetenschappelijke kennis; en dat je dan bijna niets meer zou kunnen doen. In deze post wil ik duidelijk maken dat dat juist niet het geval is. De kern is dat “evidence” niet hetzelfde is als “proof”; twee woorden die in het Engels een totaal verschillende betekenis hebben, maar in het Nederlands vaak slordig allebei worden vertaald als “bewijs”. Evidence-based werken is eigenlijk niet meer dan gewoon doen wat werkt.

Wat is evidence-based practice?
Evidence-based practice

Figuur 1: de driehoek van de evidence-based practice

In zijn kern houdt evidence-based practice in dat je werkt met de best beschikbare kennis over wat werkt. Die kennis komt uit drie verschillende bronnen: wetenschappelijke kennis, praktijkkennis van hulpverleners en ervaringskennis van cliënten. Dus als je evidence-based werkt, werk je ook practice-based en houd je ook rekening met het cliëntperspectief. Evidence-based werken is als het ware een driehoek. Als je een van de drie poten van de driehoek negeert, werk je niet evidence-based en ben je dus niet goed bezig.

Richtlijnen/zorgprogramma’s en de uitvoeringspraktijk

Evidence-based practice impliceert dat je op twee niveaus de drie soorten kennis toepast: op het niveau van de richtlijnen en zorgprogramma’s en op het niveau van de individuele patiënt c.q. cliënt c.q. gezin. Op het niveau van de richtlijnen en zorgprogramma’s verzamel je de best beschikbare wetenschappelijke kennis, gesystematiseerde kennis uit de hulpverleningspraktijk en gesystematiseerde ervaringskennis van cliënten. Bij die laatste twee hoort een toelichting. Het gaat niet om de ervaring van een individuele hulpverlener of een individuele cliënt, maar om kennis over de ervaring van relevante groepen hulpverleners en van relevante groepen cliënten en hun gezinnen. Na het bijeenbrengen van die drie kennisbronnen formuleert een groep wetenschappers, hulpverleners en ervaringsdeskundigen van daaruit een evidence-based richtlijn of zorgprogramma.

Op het niveau van de uitvoerende hulpverleningspraktijk dient deze richtlijn of dit zorgprogramma dan als basis voor het professionele handelen. Dat betekent echter niet dat professionals blindelings de voorkeuren uit de richtlijn of het zorgprogramma moeten opvolgen. Het is de professionaliteit c.q. het vakmanschap van de hulpverlener om op basis van de richtlijn, in combinatie met zijn of haar praktijkkennis en de voorkeuren en ervaringen van de cliënt en het systeem rondom die cliënt, in samenspraak met die cliënt en diens systeem te bepalen wat in deze situatie het beste is om te doen. Veel zorgprogramma’s en richtlijnen bieden immers meerdere opties bij bepaalde problematieken waaruit professional en cliënt in samenspraak moeten kiezen. Omdat vanuit de praktijk via praktijkonderzoek, nieuwe praktijkervaringen van hulpverleners en nieuwe ervaringen van cliënten ook weer terugkoppeling komt naar de input voor de (herziening van) de richtlijnen, is dit een doorlopend interactief proces.

Figuur 2: de wisselwerking tussen evidence-based richtlijnen en de evidence-based uitvoeringspraktijk

Figuur 2: de wisselwerking tussen evidence-based richtlijnen en de evidence-based uitvoeringspraktijk

Wat als er nog weinig of geen kennis is?

Nu komt het natuurlijk regelmatig voor dat er nog niet voldoende wetenschappelijk kennis is over bijvoorbeeld een nieuwe innovatieve behandelmethode. Als je evidence-based wilt werken betekent dat niet dat professionals die innovatieve methode niet zouden kunnen gebruiken; wel dat deze een experimentele status heeft en dus met wetenschappelijk onderzoek begeleid moet worden. Daarnaast is het soms nodig om in samenspraak met de cliënt ‘voorbij de richtlijn” te handelen, zeker bij complexe problematiek waarbij de bestaande kennis nog niet voldoende houvast biedt. Dan ga je vanuit de bestaande kennis verder zoeken op basis van je eigen praktijkkennis en de ervaringen van de cliënt met wie je werkt en diens systeem. Je wijkt dan bewust en onderbouwd af van de richtlijn.

Tot slot

Ik hoop hiermee het begrip “evidence-based practice” wat te hebben ge-ontmythologiseerd; en duidelijk te hebben gemaakt wat het feitelijk betekent: doen wat werkt volgens de best beschikbare kennis uit de wetenschap, de praktijkkennis van hulpverleners en de ervaringskennis van cliënten en gezinnen. Daarbij maakt het niet uit of het nu gaat om de zorgprogramma’s van het kennisnetwerk kinder- en jeugdpsychiatrie (www.kenniscentrum-kjp.nl; voor leden van het Kenniscentrum zijn de beslisbomen te vinden op: http://zorgprogrammas.kenniscentrum-kjp.nl/) of de richtlijnen jeugdhulp en jeugdbescherming (www.richtlijnenjeugdhulp.nl). Laten we die dus vooral gaan gebruiken; de cliënten en hun gezinnen voor wie we werken hebben daar recht op!

Ik heb me daarvoor de afgelopen jaren ingezet als directeur zorg in de kinder- en jeugdpsychiatrie bij de Jutters en de Bascule; en zal dat vanaf nu gaan doen als directeur Effectiviteit en Vakmanschap bij het Nederlands Jeugdinstituut (NJi).

Wim Gorissen Over Wim Gorissen

directeur effectiviteit en vakmanschap bij het Nederlands Jeugdinstituut | roeier | sociaal-geneeskundige (arts M&G) | liefhebber van chocolade en van Latijns-Amerikaanse en klassieke muziek | getrouwd en twee volwassen kinderen

Reacties

  1. Heldere uitleg, waarin je verschillende kwaliteiten met elkaar verbindt. Hierdoor wordt effectieve hulpverlening in de praktijk mogelijk voor een brede doelgroep.

Reageren

vorige post:
volgende post: