Over kinderen, hun psychische problemen, hun ouders en hun behandelaars.

Crisis en de Ardennen; over mijn vak en mijzelf

Lisette wiebelt met haar zitvlak op de rand van de balustrade. Vermoeid weet haar moeder met wat humor nog te vertellen dat dit niet het hoogste balkon van het huis is. Die avond daarvoor heeft Lisette een keukenmes teruggegeven. Lisette had dit mes onder haar kussen verstopt. Het gaat niet meer. Laat in de middag zie ik Lisette en haar moeder voor een beoordeling van de crisis. Lisette is duidelijk. Met licht overslaande stem zegt zij zichzelf niet meer in de hand te hebben. Tegen het einde van de beoordeling stelt mijn collega voor om met de opnameafdeling te overleggen of er een bed beschikbaar is. Ik voel mij bijna een slechte hulpverlener wanneer ik Lisette toch nog vraag wat zij met de opname hoopt te bereiken. Lisette zegt dat zij dan therapie zal krijgen. Ik leg Lisette uit dat haar therapie niet sneller zal starten vanwege de crisisopname. Lisette veert op. Zij pakt de hand van haar moeder, kijkt haar indringend aan en zegt dat zij een paar dagen bij haar vriendin Mirte wil logeren. Direct daarop vertelt Lisette volgende week met haar klas op survival te gaan. In de Ardennen. Ook dat is leuk. Opgelucht en toch ook vertwijfeld schud ik Lisette en haar moeder bij het gedag zeggen de hand.

Gewoon, als mens

De campagne #Diagnoseheelnormaal heeft onder andere tot doel geestelijke gezondheidszorg meer toegankelijk te maken. Net als iedere andere medische discipline. En het benadrukt dat ‘niets menselijks niemand vreemd is’. Een uitspraak die één van mijn docenten in zijn werkgroepen met regelmaat liet terugkeren. Het is voor mij aanleiding om iets te schrijven over mijzelf in mijn vak. Gewoon, als een mens in de hulpverlening. Over waar ik tegenop kijk, wat ik moeilijk vind en wat mij tegelijkertijd ook inspireert. En misschien helpt het de ambtenaar om wat meer te begrijpen van de kinder- en jeugdpsychiatrie waar hij financieel beleid op maakt.

Waar ik tegenop kijk…

Ik bedacht over mijzelf en mijn werk te schrijven zonder de theoretisch-wetenschappelijke onderbouwingen die ik in mijn leerboeken lees. Tegelijkertijd vraag ik mij af of ik dit überhaupt wel zou kunnen. Ik moet denken aan een recente wetenschappelijk publicatie van diezelfde docent. Hij zegt de simpelste dingen, publiceert in wetenschappelijke tijdschriften en heeft aanzien bij vakgenoten. Hij is klinisch psycholoog. Ik ben het straks ook. En wanneer ik kijk naar hoe mijn supervisors hun werk doen dan bekruipt mij weleens de twijfel of ik over twee jaar mijn registratie als specialist wel voldoende waar kan maken.

Wat ik ingewikkeld en inspirerend vind…

Door mee te gaan met de wens van Lisette om opgenomen te worden werd Lisette in haar kracht gezet, legde mijn supervisor uit. Een paradoxale interventie wordt dat genoemd. Tijdens mijn opleiding probeer ik te leren meer bewust te zijn van wat ik zeg, waarom ik het zeg en wat ik er mee wil bereiken. Ingewikkeld vind ik dat. En het antwoord moet ik weleens schuldig blijven. Dat Thijs van de dagbehandeling iedere dag even bij mijn raam komt zwaaien vinden wij volgens mij allebei leuk. Waarom ik terugzwaai is denk ik omdat Thijs dan blij lacht en omdat ‘niets menselijks mij vreemd is’.

Een aantal jaren geleden ontmoette ik Daan. Daan had een huidaandoening. Daan sloot zich op in zijn kamer en weigerde uit de kartonnen bekertjes in de wachtkamer te drinken. De bacteriën die erop zaten zouden zijn aandoening kunnen doen opvlammen legde hij mij uit. De ernst van zijn problematiek maakte dat ik mij vaak heb afgevraagd hoe het met hem goed moest komen. Na mijn vakantie zag ik Daan weer. Ik herkende hem niet zonder zijn pet. En hij dronk water. Uit de dispenser. En uit een kartonnen bekertje. Glunderend vertelde Daan een vriendin te hebben. Daan stond weer middenin het leven. Ik heb mij weleens afgevraagd of een datingbureau niet van grotere betekenis zou kunnen zijn dan de gesprekken die ik met jongeren heb. Mijn docent legde uit hoe Daan de werkrelatie met mij had geïnternaliseerd. Gaandeweg ben ik mij hier steeds meer bij gaan voorstellen. Daan lijkt toch meer aan de gesprekken gehad te hebben dan aan een inschrijving bij een datingbureau.

Een echt vak…

Er zijn weleens dagen dat ik niet goed word van alle verschillende theoretische principes en hoe de dingen in mijn vak voor meerdere uitleggen vatbaar zijn. Ik fantaseer dan weleens dat ik piloot zou zijn. Fantastisch lijkt me dat. Een vliegtuig kan je maar op één manier goed besturen en wanneer het vliegtuig weer aan de grond staat is het werk gewoon af en heb je het goed gedaan. Een paar jaar geleden bezocht ik mijn goede vriend Jasper in Londen. Tegen beter weten in vroeg ik de piloot of ik mee mocht vliegen in de cockpit. Maar het mocht. Boven de Noordzee vertelde ik over mijn werk. De piloot sprak met bewondering uit hoe hij vond dat ik een ‘echt’ vak had. Dat uitgerekend een piloot dit tegen mij zei, verwondert mij nog altijd.

Waardevol en complex…
Afscheidskaartje

Het afscheidskaartje van Wout

In een afscheidskaartje schrijft Wout dat ik al mijn patiënten moet zeggen dat ze niet binnen moeten zitten en moeten genieten van het mooie weer. Ook schrijft Wout dat je uit de cirkel van de ‘klote angsten’ moet stappen en er niet tegen moet vechten. Wout hoopt dat de kaart mij een mooie gedachte zal geven voor later. En dat is gelukt. Wout heeft de cognitief-gedragstherapeutische principes met zijn zestien jaar en licht verstandelijke beperking goed begrepen. Je zou denken dat de buurvrouw aan de keukentafel dit Wout ook had kunnen vertellen. En toch is het niet zo simpel. Het is een complex vak, het gaat over timing, over contact en over kennis van psychologie en van psychotherapie. En het gaat over twijfels. Juist die twijfels en het nadenken daarover zijn een drijvende kracht om jezelf tot instrument te kunnen maken. En hier is steeds minder geld en dus tijd voor. Door te schrijven over mijn vak kan ik proberen te laten zien hoe waardevol het vak is. Letterlijk zoals is te lezen in de nieuwste post van Jolanda van der Meer. Misschien heeft de ambtenaar daar nog wel het meest aan.

Graag wil ik Monique Verbout en Bart Siebelink (beiden klinisch psycholoog bij Curium-LUMC) en Jeroen Büchli (Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie) bedanken voor hun feedback bij het schrijven van deze blogpost.

Teije Koopmans Over Teije Koopmans

gz-psycholoog in opleiding tot klinisch psycholoog bij Curium-LUMC | pianodocent | muziekliefhebber | actief lid NVGzP | enthousiast autopoetser

Reacties

  1. Jan Koopmans zegt:

    goed leesbaar en jij herkenbaar

  2. Super geschreven en heel erg herkenbaar!!!

Trackbacks

  1. […] in mijn leertherapie. Het heeft niet geholpen. Hoeft ook niet. Ik kan altijd nog zeggen dat niets menselijks mij vreemd is. Afgelopen zomer. Vakantie. Genoten van bochtige wegen, het terugschakelen, de toeren van de […]

Reageren