Over kinderen, hun psychische problemen, hun ouders en hun behandelaars.

Dwang: vriend of vijand?

Beat your OCD!, OCD fighting tools en bijnamen voor OCD als Mr. Stupid. Dit is het eerste waar mijn oog op valt als ik een paar boeken doorblader. OCD is geen staatsvijand, zoals deze teksten misschien doen vermoeden. Het gaat hier om een obsessieve compulsieve stoornis, oftewel dwangstoornis, en deze teksten komen uit verschillende behandelprotocollen voor dwang bij kinderen. Dwang is de vijand die je moet bestrijden, is hier de strekking. Door het probleem een naam te geven en te externaliseren, wordt duidelijk dat het niet onlosmakelijk verbonden is met het kind en versterkt het het gevoel dat je er grip op kunt krijgen en vanaf kunt komen. Er is ‘iets’, en dat ben jij niet zelf, het is een extern ‘ding’. Je kunt er boos op worden en tegen ten strijde trekken, en – niet onbelangrijk – je kunt het ook weer kwijtraken. Toch is er iets vreemds met deze benadering. Is het probleem bij de dwangstoornis niet dat je gekweld wordt door je eigen gedachten en last hebt van handelingen die je zelf uitvoert. Is het niet raar om deze gedachten en handelingen als de vijand te bestempelen?

In tegenstelling tot veel (oorspronkelijk Amerikaanse) behandelprotocollen, wordt in het protocol ‘Bedwing je dwang’ een positieve verklaring voor het dwangprobleem aangereikt. Het probleem is een goede eigenschap (zoals netjes, zorgvuldig, schoon of zorgzaam zijn) die te groot is geworden. Deze eigenschap gooi je niet in de prullenbak en je hoeft er ook niet mee te vechten; kinderen hoeven geen sloddervossen en viespeuken te worden. Het doel is om het gedrag terug te brengen tot de juiste proportie, zodat het weer handig wordt in plaats van lastig. Kinderen kijken je vaak verbaasd aan als je dit aan ze uitlegt. Tot dan toe hebben ze vaak niet veel anders gehoord dan gemopper over hun overdreven gedrag. Het idee dat er een positieve eigenschap onder ligt, werpt een nieuw licht op de zaak. ‘Terug naar de goede manier’, daar willen ze meestal wel aan werken. Maar ook deze benadering kent zijn keerzijde. Niet iedereen is overtuigd van deze positieve eigenschap; sommige kinderen hebben vooral schoon genoeg van hun dwang en zijn niet bereid hier iets positiefs in te zien. Hoe zit dat nu met die dwang: is het goed of slecht, moet je het bestrijden of verminderen, een vriend of toch een vijand?

Het doel is om het gedrag terug te brengen tot de juiste proportie, zodat het weer handig wordt in plaats van lastig. Kinderen kijken je vaak verbaasd aan als je dit aan ze uitlegt.

De spoken

Alex (9 jaar) had last van tic-achtige dwanghandelingen. Als hij wilde opstaan uit zijn stoel was hij vaak een paar minuten bezig, omdat hij net zolang moest staan-zitten-staan-zitten tot het goed voelde. Iets vergelijkbaars gebeurde als hij over een drempel moest stappen, hij moest dan vele malen heen-en-terug. Of als hij een voorwerp wilde pakken of neerzetten, dan moest hij ook deze handeling vaak langdurig herhalen. Alex voelde niets voor de uitleg van de positieve eigenschap. De dwang was voor hem een vijand en daar bleef het bij. Maar deze vijand liet zich niet zomaar verslaan. Het probleem was namelijk, zo vertelde hij, dat een deel van zijn hersenen hem deze handelingen liet uitvoeren. Dat deel van zijn hoofd kon hij zelf niet meer besturen, het leek wel of het overgenomen was door iets of iemand.
Alex wilde graag van zijn probleem af, maar oefenen om te leren hoe hij de dwanghandelingen kon stoppen, vond hij zinloos. Hij ervoer geen enkele controle, eigenlijk was hij niet te helpen. Als therapeut probeerde ik hem via verschillende wegen te motiveren, maar hij verwierp mijn ideeën stuk voor stuk. Nu was Alex een slim, fantasierijk en leergierig jongetje. Hoewel hij niet bereid was exposure-oefeningen te doen, was hij wel nieuwsgierig naar hoe dat nu werkte in zijn hoofd, want zo goed begreep hij het zelf ook allemaal niet. We besloten dit te gaan onderzoeken en bedachten verschillende experimentjes om uit te zoeken of hij de besturing van zijn hoofd weer in handen kon krijgen. Een week lang lette hij goed op wat er precies gebeurde op de momenten dat het dwangprobleem opspeelde. De volgende afspraak had hij ontdekt hoe het werkte. Hij vertelde dat de dwangrituelen opereerden als spoken. Die spoken kwamen van alle kanten op hem af vliegen en ieder spook stond voor een dwangritueel. Als hij de rituelen uitvoerde, verdwenen de spoken. In feite had hij met dit beeld de dwang geëxternaliseerd, en dat kwam goed van pas in de behandeling. Nu Alex zich de dwang kon voorstellen, was hij ook in staat om een plan van aanpak te bedenken. Hij stelde zich voor hoe hij als een stoere ghostbuster gewapend met een spokenstofzuiger ten strijde trok tegen de spoken. Vol overgave begon hij aan velerlei exposure-oefeningen. De spoken vochten echter hardnekkig terug en het vergde nog wel enige oefening voordat hij de dwang onder controle begon te krijgen. Langzaam maar zeker lukte het Alex steeds vaker om de dwangrituelen te stoppen. De spoken verdwenen uit beeld, de exposure-oefeningen bleven we doen.
Inmiddels heeft Alex de dwang onder controle en bestuurt hij zijn eigen hoofd weer. Wat heeft hem nu geholpen? Ik vermoed de exposure-oefeningen en de ervaring dat hij in staat was om de dwang te bedwingen. De spoken waren geen broodnodige interventie, zij waren wel een belangrijke ingang om Alex te motiveren de oefeningen te gaan doen.

Een positieve eigenschap

Heel anders verliep dit proces bij Elisa. Ik leerde Elisa kennen toen ze 12 jaar was. Ook zij moest allerlei dwangrituelen uitvoeren, maar anders dan bij Alex had ze hier nare dwanggedachten bij. Dit maakte haar verdrietig en ze piekerde er veel over. We spraken over het dwangprobleem en zochten naar een onderliggende positieve eigenschap. Die was snel gevonden. Elisa was een zorgzaam meisje dat er goed voor wilde zorgen dat de mensen van wie zij hield niets zou overkomen. Het deed haar goed om te horen dat ze niet gek was, maar juist een waardevolle eigenschap bezat. Het bood ook een ingang voor de behandeling en we maakten een plan voor hoe zij de dwang weer kon terugbrengen tot deze positieve eigenschap. Ook hier bestond de behandeling uit exposure met responspreventie, daarnaast spraken we over dwanggedachten. Het lukte Elisa vrij snel om de dwangrituelen onder controle te krijgen. De dwanggedachten waren hardnekkiger, die verdwenen niet zomaar uit haar hoofd. Toch lukte het haar na verloop van tijd steeds vaker om zich minder druk te maken over deze gedachten en ze te zien als overdreven alarmsignalen die nu eenmaal af en toe in haar hoofd kwamen, maar waar ze niet naar hoefde te luisteren. Toen ik haar aan het einde van de behandeling vroeg wat haar had geholpen, antwoordde ze: ‘Eerst dacht ik dat de dwang iets van buiten was waar ik toevallig tegenaan was gelopen. Dat dat mij is overkomen, was gewoon pech. Het had ook iemand anders kunnen gebeuren. Nu denk ik dat de dwang meer iets van mezelf is. Het zijn mijn eigen gedachten, de barrières die ik zelf opwerp. Het is dus iets waar ik zelf wat mee kan en dat idee helpt me.’

Vriend of vijand?

Voor Alex was de dwang een vijand die hij heeft verslagen, voor Elisa werd de dwang een vriend. Wat is nu de beste aanpak? Ik denk dat het beide kan. Bij Alex zou het niet geholpen hebben om de dwang te benaderen als een te groot geworden goede eigenschap; dit sprak hem niet aan. Bij Elisa hielp het juist wel. In beide gevallen diende de uitleg echter hetzelfde doel: het bood een ingang voor de behandeling, het was in feite een motivatietechniek. De therapeut kan hier zelf een keuze in maken. De ene dwang kunnen we beter in de prullenbak gooien, met de andere kunnen we vriendschap sluiten.


De namen in dit stuk zijn niet de werkelijke namen van de betrokkenen.

Lidewij Wolters Over Lidewij Wolters

orthopedagoog en onderzoeker | woont samen in Amsterdam | is nog aan het klussen in huis | doet onderzoek naar de behandeling van de dwangstoornis | gaat altijd op de fiets naar het werk

Reacties

  1. Ik vind de creatieve wijze waarop je bent om gegaan met beide kinderen mooi en respectvol. De begrippen vriend/vijand zijn natuurlijk slechts abstracties en hebben per kind een andere betekenis. De werkzaamheid zit hem in het feit dat zij iets toevoegen aan het systeem van functioneren en daarmee meer zelfbeschikking ervaren en daarmee vrijheid. Ze zijn als het ware niet meer gevangen en in de greep van het eenzijdige systeem. Er ontstaat meer ik besef. Er ontstaat weer vitaliteit en een juiste verhouding ten opzichte van zichzelf. De zelfvervreemding lost op. Een schitterend proces. En wat mij raakt is ( ik werk zelf overwegend met volwassenen ) is de wijsheid van kinderen en het vermogen tot zelfreflectie. Als vader van twee kinderen van 9 en 14 merk ik deze wijsheid dagelijks. Wat is de geest een wonder.

  2. Wat een leuk verhaal! Ik had eerst wat weerstand stegen om dwang als je vriend te zien maar je verhaal heeft me wel overtuigd dat soms een dergelijke insteek meer kan opleveren.
    Wel zou ik persoonlijk er de voorkeur aan geven de dwangstoornis in alle gevallen niet als vriend voor te stellen, want daardoor worden gedachtes en impulsen die op zich goed kunnen zijn (zorgzaamheid, zorgvuldigheid, ordelijkheid etc.) tot een kwelling. Het lijkt me goed dat daarover geen misverstand ontstaat. Ik noem dit zo uitdrukkelijk omdat ik wat bang ben dat anders dwang gezien wordt als iets positiefs waar je steun aan hebt bijvoorbeeld of wat je ergens wel fijn vindt en daar geloof ik niets van. Dat neemt niet weg dat je verhaal me zeker geïnspireerd heeft tot nieuwe ideeën over hoe je het kunt aanpakken

Reageren